Share this page:  
 

Multilingual Scriptures

(Compare books in 2 different language versions of your choice)

Comparison Search:

Select Language version and font:
You can only select max. of two versions.
Book:
Chapter:
Verse:
---------
From: To:

Free Search:

Select Language version and font:
Enter search text:

Multilingual Scriptures Home » Dutch Staten Vertaling Bible » Proverbs

Dutch Staten Vertaling Bible
Chapter # Verse # Verse Detail
11De spreuken van Salomo, den zoon van David, den koning van Israel,
12Om wijsheid en tucht te weten; om te verstaan redenen des verstands;
13Om aan te nemen onderwijs van goed verstand, gerechtigheid, en recht, en billijkheden;
14Om den slechten kloekzinnigheid te geven, den jongeling wetenschap en bedachtzaamheid.
15Die wijs is, zal horen, en zal in lere toenemen; en die verstandig is, zal wijzen raad bekomen.
16Om te verstaan een spreuk en de uitlegging, de woorden der wijzen en hun raadselen.
17De vrees des HEEREN is het beginsel der wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en tucht.
18Mijn zoon! hoor de tucht uws vaders, en verlaat de leer uwer moeder niet;
19Want zij zullen uw hoofd een aangenaam toevoegsel zijn, en ketenen aan uw hals.
110Mijn zoon! indien de zondaars u aanlokken, bewillig niet;
111Indien zij zeggen: Ga met ons, laat ons loeren op bloed, ons versteken tegen den onschuldige, zonder oorzaak;
112Laat ons hen levend verslinden, als het graf; ja, geheel en al, gelijk die in den kuil nederdalen;
113Alle kostelijk goed zullen wij vinden, onze huizen zullen wij met roof vullen.
114Gij zult uw lot midden onder ons werpen; wij zullen allen een buidel hebben.
115Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
116Want hun voeten lopen ten boze; en zij haasten zich om bloed te storten.
117Zekerlijk, het net wordt tevergeefs gespreid voor de ogen van allerlei gevogelte;
118En deze loeren op hun eigen bloed, en versteken zich tegen hun zielen.
119Zo zijn de paden van een iegelijk, die gierigheid pleegt; zij zal de ziel van haar meester vangen.
120De opperste Wijsheid roept overluid daar buiten; Zij verheft haar stem op de straten.
121Zij roept in het voorste der woelingen; aan de deuren der poorten spreekt Zij Haar redenen in de stad;
122Gij slechten! hoe lang zult gij de slechtigheid beminnen, en de spotters voor zich de spotternij begeren, en de zotten wetenschap haten?
123Keert u tot Mijn bestraffing; ziet, Ik zal Mijn Geest ulieden overvloediglijk uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekend maken.
124Dewijl Ik geroepen heb, en gijlieden geweigerd hebt; Mijn hand uitgestrekt heb, en er niemand was, die opmerkte;
125En gij al Mijn raad verworpen, en Mijn bestraffing niet gewild hebt;
126Zo zal Ik ook in ulieder verderf lachen; Ik zal spotten, wanneer uw vreze komt.
127Wanneer uw vreze komt gelijk een verwoesting, en uw verderf aankomt als een wervelwind; wanneer u benauwdheid en angst overkomt;
128Dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden; zij zullen Mij vroeg zoeken, maar zullen Mij niet vinden;
129Daarom, dat zij de wetenschap gehaat hebben, en de vreze des HEEREN niet hebben verkoren.
130Zij hebben in Mijn raad niet bewilligd; al Mijn bestraffingen hebben zij versmaad;
131Zo zullen zij eten van de vrucht van hun weg, en zich verzadigen met hun raadslagen.
132Want de afkering der slechten zal hen doden, en de voorspoed der zotten zal hen verderven.
133Maar die naar Mij hoort, zal zeker wonen, en hij zal gerust zijn van de vreze des kwaads.
21Mijn zoon! zo gij mijn redenen aanneemt, en mijn geboden bij u weglegt;
22Om uw oren naar wijsheid te doen opmerken; zo gij uw hart tot verstandigheid neigt;
23Ja, zo gij tot het verstand roept, uw stem verheft tot de verstandigheid;
24Zo gij haar zoekt als zilver, en naspeurt als verborgen schatten;
25Dan zult gij de vreze des HEEREN verstaan, en zult de kennis van God vinden.
26Want de HEERE geeft wijsheid; uit Zijn mond komt kennis en verstand.
27Hij legt weg voor de oprechten een bestendig wezen; Hij is een Schild dengenen, die oprechtelijk wandelen;
28Opdat zij de paden des rechts houden; en Hij zal den weg Zijner gunstgenoten bewaren.
29Dan zult gij verstaan gerechtigheid, en recht, en billijkheden, en alle goed pad.
210Als de wijsheid in uw hart zal gekomen zijn, en de wetenschap voor uw ziel zal liefelijk zijn;
211Zo zal de bedachtzaamheid over u de wacht houden, de verstandigheid zal u behoeden;
212Om u te redden van den kwaden weg, van den man, die verkeerdheden spreekt;
213Van degenen, die de paden der oprechtheid verlaten, om te gaan in de wegen der duisternis;
214Die blijde zijn in het kwaad doen, zich verheugen in de verkeerdheden des kwaden;
215Welker paden verkeerd zijn, en afwijkende in hun sporen;
216Om u te redden van de vreemde vrouw, van de onbekende, die met haar redenen vleit;
217Die den leidsman harer jonkheid verlaat, en het verbond haars Gods vergeet;
218Want haar huis helt naar den dood, en haar paden naar de overledenen.
219Allen die tot haar ingaan, zullen niet wederkomen, en zullen de paden des levens niet aantreffen;
220Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.
221Want de vromen zullen de aarde bewonen, en de oprechten zullen daarin overblijven;
222Maar de goddelozen zullen van de aarde uitgeroeid worden, en de trouwelozen zullen er van uitgerukt worden.
31Mijn zoon! vergeet mijn wet niet, maar uw hart beware mijn geboden.
32Want langheid van dagen, en jaren van leven, en vrede zullen zij u vermeerderen.
33Dat de goedertierenheid en de trouw u niet verlaten; bind ze aan uw hals, schrijf zij op de tafel uws harten.
34En vind gunst en goed verstand, in de ogen Gods en der mensen.
35Vertrouw op den HEERE met uw ganse hart, en steun op uw verstand niet.
36Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken.
37Zijt niet wijs in uw ogen; vrees den HEERE, en wijk van het kwade.
38Het zal een medicijn voor uw navel zijn, en een bevochtiging voor uw beenderen.
39Vereer den HEERE van uw goed, en van de eerstelingen al uwer inkomsten;
310Zo zullen uw schuren met overvloed vervuld worden, en uw perskuipen van most overlopen.
311Mijn zoon! verwerp de tucht des HEEREN niet, en wees niet verdrietig over Zijn kastijding;
312Want de HEERE kastijdt dengene, dien Hij liefheeft, ja, gelijk een vader den zoon, in denwelken hij een welbehagen heeft.
313Welgelukzalig is de mens, die wijsheid vindt, en de mens, die verstandigheid voortbrengt!
314Want haar koophandel is beter dan de koophandel van zilver, en haar inkomst dan het uitgegraven goud.
315Zij is kostelijker dan robijnen en al; wat u lusten mag, is met haar niet te vergelijken.
316Langheid der dagen is in haar rechterhand, in haar linkerhand rijkdom en eer.
317Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede.
318Zij is een boom des levens dengenen, die ze aangrijpen, en elkeen, die ze vasthoudt, wordt gelukzalig.
319De HEERE heeft de aarde door wijsheid gegrond, de hemelen door verstandigheid bereid.
320Door Zijn wetenschap zijn de afgronden gekloofd, en de wolken druipen dauw.
321Mijn zoon! laat ze niet afwijken van uw ogen; bewaar de bestendige wijsheid en bedachtzaamheid.
322Want zij zullen het leven voor uw ziel zijn, en een aangenaamheid voor uw hals.
323Dan zult gij uw weg zeker wandelen, en gij zult uw voet niet stoten.
324Zo gij nederligt, zult gij niet schrikken; maar gij zult nederliggen en uw slaap zal zoet wezen.
325Vrees niet voor haastigen schrik, noch voor de verwoesting der goddelozen, als zij komt.
326Want de HEERE zal met uw hoop wezen, en Hij zal uw voet bewaren van gevangen te worden.
327Onthoud het goed van zijn meesters niet, als het in het vermogen uwer hand is te doen.
328Zeg niet tot uw naaste: Ga heen, en kom weder, en morgen zal ik geven, dewijl het bij u is.
329Smeed geen kwaad tegen uw naaste, aangezien hij met vertrouwen bij u woont.
330Twist met een mens niet zonder oorzaak, zo hij u geen kwaad gedaan heeft.
331Zijt niet nijdig over een man des gewelds, en verkies geen van zijn wegen.
332Want de afwijker is den HEERE een gruwel; maar Zijn verborgenheid is met den oprechte.
333De vloek des HEEREN is in het huis des goddelozen; maar de woning der rechtvaardigen zal Hij zegenen.
334Zekerlijk, de spotters zal Hij bespotten, maar den zachtmoedigen zal Hij genade geven.
335De wijzen zullen eer beerven; maar elkeen der zotten neemt schande op zich.
41Hoort, gij kinderen! de tucht des vaders, en merkt op, om verstand te weten.
42Dewijl ik ulieden goede leer geve, verlaat mijn wet niet.
43Want ik was mijns vaders zoon, teder, en een enige voor het aangezicht mijner moeder.
44Hij nu leerde mij, en zeide tot mij: Uw hart houde mijn woorden vast, onderhoud mijn geboden, en leef.
45Verkrijg wijsheid, verkrijg verstand; vergeet niet, en wijk niet van de redenen mijns monds.
46Verlaat ze niet, en zij zal u behoeden; heb ze lief, en zij zal u bewaren.
47De wijsheid is het voornaamste; verkrijg dan wijsheid, en verkrijg verstand met al uw bezitting.
48Verhef ze, en zij zal u verhogen; zij zal u vereren, als gij haar omhelzen zult.
49Zij zal uw hoofd een aangenaam toevoegsel geven, een sierlijke kroon zal zij u leveren.
410Hoor, mijn zoon! en neem mijn redenen aan, en de jaren des levens zullen u vermenigvuldigd worden.
411Ik onderwijs u in den weg der wijsheid; ik doe u treden in de rechte sporen.
412In uw gaan zal uw tred niet benauwd worden, en indien gij loopt, zult gij niet struikelen.
413Grijp de tucht aan, laat niet af; bewaar ze, want zij is uw leven.
414Kom niet op het pad der goddelozen, en treed niet op den weg der bozen.
415Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij.
416Want zij slapen niet, zo zij geen kwaad gedaan hebben; en hun slaap wordt weggenomen, zo zij niet iemand hebben doen struikelen.
417Want zij eten brood der goddeloosheid, en drinken wijn van enkel geweld.
418Maar het pad der rechtvaardigen is gelijk een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot den vollen dag toe.
419De weg der goddelozen is als donkerheid, zij weten niet, waarover zij struikelen zullen.
420Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen.
421Laat ze niet wijken van uw ogen, behoud ze in het midden uws harten.
422Want zij zijn het leven dengenen, die ze vinden, en een medicijn voor hun gehele vlees.
423Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen des levens.
424Doe de verkeerdheid des monds van u weg, en doe de verdraaidheid der lippen verre van u.
425Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich recht voor u heen houden.
426Weeg den gang uws voets, en laat al uw wegen wel gevestigd zijn.
427Wijk niet ter rechter hand of ter linkerhand, wend uw voet af van het kwade.
51Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;
52Opdat gij alle bedachtzaamheid behoudt, en uw lippen wetenschap bewaren.
53Want de lippen der vreemde vrouw druppen honigzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie.
54Maar het laatste van haar is bitter als alsem, scherp als een tweesnijdend zwaard.
55Haar voeten dalen naar den dood, haar treden houden de hel vast.
56Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.
57Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.
58Maak uw weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis;
59Opdat gij anderen uw eer niet geeft, en uw jaren den wrede;
510Opdat de vreemden zich niet verzadigen van uw vermogen, en al uw smartelijke arbeid niet kome in het huis des onbekenden;
511En gij in uw laatste brult, als uw vlees, en uw lijf verteerd is;
512En zegt: Hoe heb ik de tucht gehaat, en mijn hart de bestraffing versmaad!
513En heb niet gehoord naar de stem mijner onderwijzers, noch mijn oren geneigd tot mijn leraars!
514Ik ben bijna in alle kwaad geweest, in het midden der gemeente en der vergadering!
515Drink water uit uw bak, en vloeden uit het midden van uw bornput;
516Laat uw fonteinen zich buiten verspreiden, en de waterbeken op de straten;
517Laat ze de uwe alleen zijn, en van geen vreemde met u.
518Uw springader zij gezegend; en verblijd u vanwege de huisvrouw uwer jeugd;
519Een zeer liefelijke hinde, en een aangenaam steengeitje; laat u haar borsten te allen tijd dronken maken; dool steeds in haar liefde.
520En waarom zoudt gij, mijn zoon, in een vreemde dolen, en den schoot der onbekende omvangen?
521Want eens iegelijks wegen zijn voor de ogen des HEEREN, en Hij weegt al zijne gangen.
522Den goddeloze zullen zijn ongerechtigheden vangen, en met de banden zijner zonden zal hij vastgehouden worden.
523Hij zal sterven, omdat hij zonder tucht geweest is, en in de grootheid zijner dwaasheid zal hij verdwalen.
61Mijn zoon! zo gij voor uw naaste borg geworden zijt, voor een vreemde uw hand toegeklapt hebt;
62Gij zijt verstrikt met de redenen uws monds; gij zijt gevangen met de redenen uws monds.
63Doe nu dit, mijn zoon! en red u, dewijl gij in de hand uws naasten gekomen zijt; ga, onderwerp uzelven, en sterk uw naaste.
64Laat uw ogen geen slaap toe, noch uw oogleden sluimering.
65Red u, als een ree uit de hand des jagers, en als een vogel uit de hand des vogelvangers.
66Ga tot de mier, gij luiaard! zie haar wegen, en word wijs;
67Dewelke, geen overste, ambtman noch heerser hebbende,
68Haar brood bereidt in den zomer, haar spijs vergadert in den oogst.
69Hoe lang zult gij, luiaard, nederliggen? Wanneer zult gij van uw slaap opstaan?
610Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al nederliggende;
611Zo zal uw armoede u overkomen als een wandelaar, en uw gebrek als een gewapend man.
612Een Belialsmens, een ondeugdzaam man gaat met verkeerdheid des monds om;
613Wenkt met zijn ogen, spreekt met zijn voeten, leert met zijn vingeren;
614In zijn hart zijn verkeerdheden, hij smeedt te aller tijd kwaad; hij werpt twisten in.
615Daarom zal zijn verderf haastelijk komen; hij zal schielijk verbroken worden, dat er geen genezen aan zij.
616Deze zes haat de HEERE; ja, zeven zijn Zijn ziel een gruwel:
617Hoge ogen, een valse tong, en handen, die onschuldig bloed vergieten;
618Een hart, dat ondeugdzame gedachten smeedt; voeten, die zich haasten, om tot kwaad te lopen;
619Een vals getuige, die leugenen blaast; en die tussen broederen krakelen inwerpt.
620Mijn zoon, bewaar het gebod uws vaders, en verlaat de wet uwer moeder niet.
621Bind ze steeds aan uw hart, hecht ze aan uw hals.
622Als gij wandelt, zal dat u geleiden; als gij nederligt, zal het over u de wacht houden; als gij wakker wordt, zal hetzelve met u spreken.
623Want het gebod is een lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen der tucht zijn de weg des levens;
624Om u te bewaren voor de kwade vrouw, voor het gevlei der vreemde tong.
625Begeer haar schoonheid niet in uw hart, en laat ze u niet vangen met haar oogleden.
626Want door een vrouw, die een hoer is, komt men tot een stuk broods; en eens mans huisvrouw jaagt de kostelijke ziel.
627Zal iemand vuur in zijn boezem nemen, dat zijn klederen niet verbrand worden?
628Zal iemand op kolen gaan, dat zijn voeten niet branden?
629Alzo die tot zijns naasten huisvrouw ingaat; al wie haar aanroert, zal niet onschuldig gehouden worden.
630Men doet een dief geen verachting aan, als hij steelt om zijn ziel te vullen, dewijl hij honger heeft;
631En gevonden zijnde, vergeldt hij het zevenvoudig; hij geeft al het goed van zijn huis.
632Maar die met een vrouw overspel doet, is verstandeloos; hij verderft zijn ziel, die dat doet;
633Plage en schande zal hij vinden, en zijn smaad zal niet uitgewist worden.
634Want jaloersheid is een grimmigheid des mans; en in den dag der wraak zal hij niet verschonen.
635Hij zal geen verzoening aannemen; en hij zal niet bewilligen, ofschoon gij het geschenk vergroot.
71Mijn zoon, bewaar mijn redenen, en leg mijn geboden bij u weg.
72Bewaar mijn geboden, en leef, en mijn wet als den appel uwer ogen.
73Bind ze aan uw vingeren, schrijf ze op de tafels uws harten.
74Zeg tot de wijsheid: Gij zijt mijn zuster; en heet het verstand uw bloedvriend;
75Opdat zij u bewaren voor een vreemde vrouw, voor de onbekende, die met haar redenen vleit.
76Want door het venster van mijn huis, door mijn tralie keek ik uit;
77En ik zag onder de slechten; ik merkte onder de jonge gezellen een verstandelozen jongeling;
78Voorbijgaande op de straat, nevens haar hoek, en hij trad op den weg van haar huis.
79In de schemering, in den avond des daags, in den zwarten nacht en de donkerheid;
710En ziet, een vrouw ontmoette hem in hoerenversiersel, en met het hart op haar hoede;
711Deze was woelachtig en wederstrevig, haar voeten bleven in haar huis niet;
712Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende;
713En zij greep hem aan, en kuste hem; zij sterkte haar aangezicht, en zeide tot hem:
714Dankoffers zijn bij mij, ik heb heden mijn geloften betaald;
715Daarom ben ik uitgegaan u tegemoet, om uw aangezicht naarstiglijk te zoeken, en ik heb u gevonden.
716Ik heb mijn bedstede met tapijtsieraad toegemaakt, met uitgehouwen werken, met fijn linnen van Egypte;
717Ik heb mijn leger met mirre, aloe en kaneel welriekende gemaakt;
718Kom, laat ons dronken worden van minnen tot den morgen toe; laat ons ons vrolijk maken in grote liefde.
719Want de man is niet in zijn huis, hij is een verren weg getogen;
720Hij heeft een bundel gelds in zijn hand genomen; ten bestemden dage zal hij naar zijn huis komen.
721Zij bewoog hem door de veelheid van haar onderricht, zij dreef hem aan door het gevlei harer lippen.
722Hij ging haar straks achterna, gelijk een os ter slachting gaat, en gelijk een dwaas tot de tuchtiging der boeien.
723Totdat hem de pijl zijn lever doorsneed; gelijk een vogel zich haast naar den strik, en niet weet, dat dezelve tegen zijn leven is.
724Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds.
725Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden.
726Want zij heeft veel gewonden nedergeveld, en al haar gedoden zijn machtig vele.
727Haar huis zijn wegen des grafs, dalende naar de binnenkameren des doods.
81Roept de Wijsheid niet, en verheft niet de Verstandigheid Haar stem?
82Op de spits der hoge plaatsen, aan den weg, ter plaatse, waar paden zijn, staat Zij;
83Aan de zijde der poorten, voor aan de stad, aan den ingang der deuren roept Zij overluid:
84Tot u, o mannen! roep Ik, en Mijn stem is tot de mensenkinderen.
85Gij slechten! verstaat kloekzinnigheid, en gij zotten! verstaat met het hart.
86Hoort, want ik zal vorstelijke dingen spreken, en de opening Mijner lippen zal enkel billijkheid zijn.
87Want Mijn gehemelte zal de waarheid bedachtelijk uitspreken, en de goddeloosheid is Mijn lippen een gruwel.
88Al de redenen Mijns monds zijn in gerechtigheid; er is niets verdraaids, noch verkeerds in.
89Zij zijn alle recht voor dengene, die verstandig is, en rechtmatig voor degenen, die wetenschap vinden.
810Neemt Mijn tucht aan, en niet zilver, en wetenschap, meer dan het uitgelezen uitgegraven goud.
811Want wijsheid is beter dan robijnen, en al wat men begeren mag, is met haar niet te vergelijken.
812Ik, Wijsheid, woon bij de kloekzinnigheid, en vinde de kennis van alle bedachtzaamheid.
813De vreze des HEEREN is, te haten het kwade, de hovaardigheid, en den hoogmoed, en den kwaden weg; Ik haat ook den mond der verkeerdheden.
814Raad en het wezen zijn Mijne; Ik ben het Verstand, Mijne is de Sterkte.
815Door Mij regeren de koningen, en de vorsten stellen gerechtigheid.
816Door Mij heersen de heersers, en de prinsen, al de rechters der aarde.
817Ik heb lief, die Mij liefhebben; en die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden.
818Rijkdom en eer is bij Mij, duurachtig goed en gerechtigheid.
819Mijn vrucht is beter dan uitgegraven goud, en dan dicht goud; en Mijn inkomen dan uitgelezen zilver.
820Ik doe wandelen op den weg der gerechtigheid, in het midden van de paden des rechts;
821Opdat Ik Mijn liefhebbers doe beerven dat bestendig is, en Ik zal hun schatkameren vervullen.
822De HEERE bezat Mij in het beginsel Zijns wegs, voor Zijn werken, van toen aan.
823Ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest; van den aanvang, van de oudheden der aarde aan.
824Ik was geboren, als de afgronden nog niet waren, als nog geen fonteinen waren, zwaar van water;
825Aleer de bergen ingevest waren, voor de heuvelen was Ik geboren.
826Hij had de aarde nog niet gemaakt, noch de velden, noch de aanvang van de stofjes der wereld.
827Toen Hij de hemelen bereidde, was Ik daar; toen Hij een cirkel over het vlakke des afgronds beschreef;
828Toen Hij de opperwolken van boven vestigde; toen Hij de fonteinen des afgronds vastmaakte;
829Toen Hij der zee haar perk zette, opdat de wateren Zijn bevel niet zouden overtreden; toen Hij de grondvesten der aarde stelde;
830Toen was Ik een voedsterling bij Hem, en Ik was dagelijks Zijn vermakingen, te aller tijd voor Zijn aangezicht spelende;
831Spelende in de wereld Zijns aardrijks, en Mijn vermakingen zijn met de mensenkinderen.
832Nu dan, kinderen! hoort naar Mij; want welgelukzalig zijn zij, die Mijn wegen bewaren.
833Hoort de tucht, en wordt wijs, en verwerpt die niet.
834Welgelukzalig is de mens, die naar Mij hoort, dagelijks wakende aan Mijn poorten, waarnemende de posten Mijner deuren.
835Want die Mij vindt, vindt het leven, en trekt een welgevallen van den HEERE.
836Maar die tegen Mij zondigt, doet zijn ziel geweld aan; allen, die Mij haten, hebben den dood lief.
91De opperste Wijsheid heeft Haar huis gebouwd; Zij heeft Haar zeven pilaren gehouwen.
92Zij heeft Haar slachtvee geslacht. Zij heeft Haar wijn gemengd; ook heeft Zij Haar tafel toegericht.
93Zij heeft Haar dienstmaagden uitgezonden; Zij nodigt op de tinnen van de hoogten der stad:
94Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts! Tot de verstandeloze zegt Zij:
95Komt, eet van Mijn brood, en drinkt van den wijn, dien Ik gemengd heb.
96Verlaat de slechtigheden, en leeft; en treedt in den weg des verstands.
97Wie den spotter tuchtigt, behaalt zich schande; en die den goddeloze bestraft, zijn schandvlek.
98Bestraf den spotter niet, opdat hij u niet hate; bestraf den wijze, en hij zal u liefhebben.
99Leer den wijze, zo zal hij nog wijzer worden; onderwijs den rechtvaardige, zo zal hij in leer toenemen.
910De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid, en de wetenschap der heiligen is verstand.
911Want door Mij zullen uw dagen vermenigvuldigen, en de jaren des levens zullen u toegedaan worden.
912Indien gij wijs zijt, gij zijt wijs voor uzelven; en zijt gij een spotter, gij zult het alleen dragen.
913Een zotte vrouw is woelachtig, de slechtigheid zelve, en weet niet met al.
914En zij zit aan de deur van haar huis, op een stoel, op de hoge plaatsen der stad;
915Om te roepen degenen, die op den weg voorbijgaan, die hun paden recht maken, zeggende:
916Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts; en tot den verstandeloze zegt zij:
917De gestolen wateren zijn zoet, en het verborgen brood is liefelijk.
918Maar hij weet niet, dat aldaar doden zijn; haar genoden zijn in de diepten der hel.
101De spreuken van Salomo. Een wijs zoon verblijdt den vader; maar een zot zoon is zijner moeder droefheid.
102Schatten der goddeloosheid doen geen nut; maar de gerechtigheid redt van den dood.
103De HEERE laat de ziel des rechtvaardigen niet hongeren; maar de have der goddelozen stoot Hij weg.
104Die met een bedriegelijke hand werkt, wordt arm; maar de hand der vlijtigen maakt rijk.
105Die in den zomer vergadert, is een verstandig zoon; maar die in den oogst vast slaapt, is een zoon die beschaamd maakt.
106Zegeningen zijn op het hoofd des rechtvaardigen; maar het geweld bedekt den mond der goddelozen.
107De gedachtenis des rechtvaardigen zal tot zegening zijn; maar de naam der goddelozen zal verrotten.
108Die wijs van hart is, neemt de geboden aan; maar die dwaas is van lippen, zal omgeworpen worden.
109Die in oprechtheid wandelt, wandelt zeker; maar die zijn wegen verkeert, zal bekend worden.
1010Die met het oog wenkt, richt smart aan; en een dwaas van lippen zal omgeworpen worden.
1011De mond des rechtvaardigen is een springader des levens; maar het geweld bedekt den mond der goddelozen.
1012Haat verwekt krakelen; maar de liefde dekt alle overtredingen toe.
1013In de lippen des verstandigen wordt wijsheid gevonden; maar op den rug des verstandelozen de roede.
1014De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.
1015Des rijken goed is een stad zijner sterkte; de armoede der geringen is hun verstoring.
1016Het werk des rechtvaardigen is ten leven; de inkomst des goddelozen is ter zonde.
1017Het pad tot het leven is desgenen die de tucht bewaart; maar die de bestraffing verlaat, doet dwalen.
1018Die den haat bedekt, is van valse lippen, en die een kwaad gerucht voortbrengt, is een zot.
1019In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.
1020De tong des rechtvaardigen is uitgelezen zilver; het hart der goddelozen is weinig waard.
1021De lippen des rechtvaardigen voeden er velen; maar de dwazen sterven door gebrek van verstand.
1022De zegen des HEEREN, die maakt rijk; en Hij voegt er geen smart bij.
1023Het is voor den zot als spel, schandelijkheid te doen; maar voor een man van verstand, wijsheid te plegen.
1024De vreze des goddelozen, die zal hem overkomen; maar de begeerte der rechtvaardigen zal God geven.
1025Gelijk een wervelwind voorbijgaat, alzo is de goddeloze niet meer; maar de rechtvaardige is een eeuwige grondvest.
1026Gelijk edik den tanden, en gelijk rook den ogen is zo is de luie dengenen, die hem uitzenden.
1027De vreze des HEEREN vermeerdert de dagen; maar de jaren der goddelozen worden verkort.
1028De hoop der rechtvaardigen is blijdschap; maar de verwachting der goddelozen zal vergaan.
1029De weg des HEEREN is voor den oprechte sterkte; maar voor de werkers der ongerechtigheid verstoring.
1030De rechtvaardige zal in eeuwigheid niet bewogen worden; maar de goddelozen zullen de aarde niet bewonen.
1031De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.
1032De lippen des rechtvaardigen weten wat welgevallig is; maar de mond der goddelozen enkel verkeerdheid.
111Een bedriegelijke weegschaal is den HEERE een gruwel; maar een volkomen weegsteen is Zijn welgevallen.
112Als de hovaardigheid komt, zal de schande ook komen; maar met de ootmoedigen is wijsheid.
113De oprechtheid der oprechten leidt hen; maar de verkeerdheid der trouwelozen verstoort hen.
114Goed doet geen nut ten dage der verbolgenheid; maar de gerechtigheid redt van den dood.
115De gerechtigheid des oprechten maakt zijn weg recht; maar de goddeloze valt door zijn goddeloosheid.
116De gerechtigheid der vromen zal hen redden; maar de trouwelozen worden gevangen in hun verkeerdheid.
117Als de goddeloze mens sterft, vergaat zijn verwachting; zelfs is de allersterkste hoop vergaan.
118De rechtvaardige wordt uit benauwdheid bevrijd; en de goddeloze komt in zijn plaats.
119De huichelaar verderft zijn naaste door den mond; maar door wetenschap worden de rechtvaardigen bevrijd.
1110Een stad springt op van vreugde over het welvaren der rechtvaardigen; en als de goddelozen vergaan, is er gejuich.
1111Door den zegen der oprechten wordt een stad verheven; maar door den mond der goddelozen wordt zij verbroken.
1112Die verstandeloos is, veracht zijn naaste; maar een man van groot verstand zwijgt stil.
1113Die als een achterklapper wandelt, openbaart het heimelijke; maar die getrouw is van geest, bedekt de zaak.
1114Als er geen wijze raadslagen zijn, vervalt het volk; maar de behoudenis is in de veelheid der raadslieden.
1115Als iemand voor een vreemde borg geworden is, hij zal zekerlijk verbroken worden; maar wie degenen haat, die in de hand klappen, is zeker.
1116Een aangename huisvrouw houdt de eer vast, gelijk de geweldigen den rijkdom vasthouden.
1117Een goedertieren mens doet zijn ziel wel; maar die wreed is, beroert zijn vlees.
1118De goddeloze doet een vals werk; maar voor degene, die gerechtigheid zaait, is trouwe loon.
1119Alzo is de gerechtigheid ten leven, gelijk die het kwade najaagt, naar zijn dood jaagt.
1120De verkeerden van hart zijn den HEERE een gruwel; maar de oprechten van weg zijn Zijn welgevallen.
1121Hand aan hand zal de boze niet onschuldig zijn; maar het zaad der rechtvaardigen zal ontkomen.
1122Een schone vrouw, die van rede afwijkt, is een gouden bagge in een varkenssnuit.
1123De begeerte der rechtvaardigen is alleenlijk het goede; maar de verwachting der goddelozen is verbolgenheid.
1124Er is een, die uitstrooit, denwelken nog meer toegedaan wordt; en een, die meer inhoudt dan recht is, maar het is tot gebrek.
1125De zegenende ziel zal vet gemaakt worden; en die bevochtigt, zal ook zelf een vroege regen worden.
1126Wie koren inhoudt, dien vloekt het volk; maar de zegening zal zijn over het hoofd des verkopers.
1127Wie het goede vroeg nazoekt, zoekt welgevalligheid; maar wie het kwade natracht, dien zal het overkomen.
1128Wie op zijn rijkdom vertrouwt, die zal vallen; maar de rechtvaardigen zullen groenen als loof.
1129Wie zijn huis beroert, zal wind erven; en de dwaas zal een knecht zijn desgenen, die wijs van hart is.
1130De vrucht des rechtvaardigen is een boom des levens; en wie zielen vangt, is wijs.
1131Ziet, den rechtvaardige wordt vergolden op de aarde, hoeveel te meer den goddeloze en zondaar!
121Wie de tucht liefheeft, die heeft de wetenschap lief; maar wie de bestraffing haat, is onvernuftig.
122De goede zal een welgevallen trekken van den HEERE; maar een man van schandelijke verdichtselen zal Hij verdoemen.
123De mens zal niet bevestigd worden door goddeloosheid; maar de wortel der rechtvaardigen zal niet bewogen worden.
124Een kloeke huisvrouw is een kroon haars heren; maar die beschaamt maakt, is als verrotting in zijn beenderen.
125Der rechtvaardigen gedachten zijn recht; der goddelozen raadslagen zijn bedrog.
126De woorden der goddelozen zijn om op bloed te loeren; maar de mond der oprechten zal ze redden.
127De goddelozen worden omgekeerd, dat zij niet meer zijn; maar het huis der rechtvaardigen zal bestaan.
128Een ieder zal geprezen worden, naardat zijn verstandigheid is; maar die verkeerd van hart is, zal tot verachting wezen.
129Beter is, die zich gering acht, en een knecht heeft, dan die zichzelven eert, en des broods gebrek heeft.
1210De rechtvaardige kent het leven van zijn beest; maar de barmhartigheden der goddelozen zijn wreed.
1211Die zijn land bouwt, zal van brood verzadigd worden; maar die ijdele mensen volgt, is verstandeloos.
1212De goddeloze begeert het net der bozen; maar de wortel der rechtvaardigen zal uitgeven.
1213In de overtreding der lippen is de strik des bozen; maar de rechtvaardige zal uit de benauwdheid uitkomen.
1214Een ieder wordt van de vrucht des monds met goed verzadigd; en de vergelding van des mensen handen zal hij tot zich wederbrengen.
1215De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.
1216De toorn des dwazen wordt ten zelven dage bekend; maar die kloekzinnig is, bedekt de schande.
1217Die waarheid voortbrengt, maakt gerechtigheid bekend; maar een getuige der valsheden, bedrog.
1218Daar is een, die woorden als steken van een zwaard onbedachtelijk uitspreekt; maar de tong der wijzen is medicijn.
1219Een waarachtige lip zal bevestigd worden in eeuwigheid; maar een valse tong is maar voor een ogenblik.
1220Bedrog is in het hart dergenen, die kwaad smeden; maar degenen die vrede raden, hebben blijdschap.
1221Den rechtvaardigen zal geen leed wedervaren; maar de goddelozen zullen met kwaad vervuld worden.
1222Valse lippen zijn den HEERE een gruwel; maar die trouwelijk handelen, zijn Zijn welgevallen.
1223Een kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart der zotten roept dwaasheid uit.
1224De hand der vlijtigen zal heersen; maar de bedriegers zullen onder cijns wezen.
1225Bekommernis in het hart des mensen buigt het neder; maar een goed woord verblijdt het.
1226De rechtvaardige is voortreffelijker dan zijn naaste; maar de weg der goddelozen doet hen dwalen.
1227Een bedrieger zal zijn jachtvang niet braden; maar het kostelijk goed des mensen is des vlijtigen.
1228In het pad der gerechtigheid is het leven; en in den weg van haar voetpad is de dood niet.
131Een wijs zoon hoort de tucht des vaders; maar een spotter hoort de bestraffing niet.
132Een ieder zal van de vrucht des monds het goede eten; maar de ziel der trouwelozen het geweld.
133Die zijn mond bewaart, behoudt zijn ziel; maar voor hem is verstoring, die zijn lippen wijd opendoet.
134De ziel des luiaards is begerig, doch er is niets; maar de ziel der vlijtigen zal vet gemaakt worden.
135De rechtvaardige haat leugentaal; maar de goddeloze maakt zich stinkende, en doet zich schaamte aan.
136De gerechtigheid bewaart den oprechte van weg; maar de goddeloosheid zal den zondaar omkeren.
137Er is een, die zichzelven rijk maakt, en niet met al heeft, en een, die zichzelven arm maakt, en heeft veel goed.
138Het rantsoen van ieders ziel is zijn rijkdom; maar de arme hoort het schelden niet.
139Het licht der rechtvaardigen zal zich verblijden; maar de lamp der goddelozen zal uitgeblust worden.
1310Door hovaardigheid maakt men niet dan gekijf; maar bij de beradenen is wijsheid.
1311Goed, van ijdelheid gekomen, zal verminderd worden; maar die met de hand vergadert, zal het vermeerderen.
1312De uitgestelde hoop krenkt het hart; maar de begeerte, die komt, is een boom des levens.
1313Die het woord veracht, die zal verdorven worden; maar wie het gebod vreest, dien zal vergolden worden.
1314Des wijzen leer is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods.
1315Goed verstand geeft aangenaamheid; maar de weg der trouwelozen is streng.
1316Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt dwaasheid uit.
1317Een goddeloze bode zal in het kwaad vallen; maar een trouw gezant is medicijn.
1318Armoede en schande is desgenen, die de tucht verwerpt; maar die de bestraffing waarneemt; zal geeerd worden.
1319De begeerte, die geschiedt, is zoet voor de ziel; maar het is den zotten een gruwel van het kwade af te wijken.
1320Die met de wijzen omgaat, zal wijs worden; maar die der zotten metgezel is, zal verbroken worden.
1321Het kwaad zal de zondaars vervolgen; maar den rechtvaardige zal men goed vergelden.
1322De goede zal zijner kinders kinderen doen erven; maar het vermogen des zondaars is voor de rechtvaardige weggelegd.
1323Het ploegen der armen geeft veelheid der spijze; maar daar is een, die verteerd wordt door gebrek van oordeel.
1324Die zijn roede inhoudt, haat zijn zoon; maar die hem liefheeft, zoekt hem vroeg met tuchtiging.
1325De rechtvaardige eet tot verzadiging zijner ziel toe; maar de buik der goddelozen zal gebrek hebben.
141Elke wijze vrouw bouwt haar huis; maar die zeer dwaas is, breekt het af met haar handen.
142Die in zijn oprechtheid wandelt, vreest den HEERE; maar die afwijkt in zijn wegen, veracht Hem.
143In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.
144Als er geen ossen zijn, zo is de krib rein; maar door de kracht van den os is der inkomsten veel.
145Een waarachtig getuige zal niet liegen; maar een vals getuige blaast leugens.
146De spotter zoekt wijsheid, en er is gene; maar de wetenschap is voor den verstandige licht.
147Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans; want gij zoudt bij hem geen lippen der wetenschap merken.
148De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.
149Elke dwaas zal de schuld verbloemen; maar onder de oprechten is goedwilligheid.
1410Het hart kent zijn eigen bittere droefheid; en een vreemde zal zich met deszelfs blijdschap niet vermengen.
1411Het huis der goddelozen zal verdelgd worden; maar de tent der oprechten zal bloeien.
1412Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.
1413Het hart zal ook in het lachen smart hebben; en het laatste van die blijdschap is droefheid.
1414Die afkerig van hart is, zal van zijn wegen verzadigd worden; maar een goed man van zichzelven.
1415De slechte gelooft alle woord; maar de kloekzinnige merkt op zijn gang.
1416De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende toornig, en zorgeloos.
1417Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden.
1418De slechten erven dwaasheid; maar de kloekzinnigen zullen zich met wetenschap kronen.
1419De kwaden buigen voor het aangezicht der goeden neder, en de goddelozen voor de poorten des rechtvaardigen.
1420De arme wordt zelfs van zijn vriend gehaat; maar de liefhebbers des rijken zijn vele.
1421Die zijn naaste veracht, zondigt; maar die zich der nederigen ontfermt, die is welgelukzalig.
1422Dwalen zij niet, die kwaad stichten? Maar weldadigheid en trouw is voor degenen, die goed stichten.
1423In allen smartelijke arbeid is overschot; maar het woord der lippen strekt alleen tot gebrek.
1424Der wijzen kroon is hun rijkdom; de dwaasheid der zotten is dwaasheid.
1425Een waarachtig getuige redt de zielen; maar die leugens blaast, is een bedrieger.
1426In de vreze des HEEREN is een sterk vertrouwen, en Hij zal Zijn kinderen een Toevlucht wezen.
1427De vreze des HEEREN is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods.
1428In de menigte des volks is des konings heerlijkheid; maar in gebrek van volk is eens vorsten verstoring.
1429De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van gemoed, verheft de dwaasheid.
1430Een gezond hart is het leven des vleses; maar nijd is verrotting der beenderen.
1431Die den arme verdrukt, smaadt deszelfs Maker; maar die zich des nooddruftigen ontfermt, eert Hem.
1432De goddeloze zal heengedreven worden in zijn kwaad; maar de rechtvaardige betrouwt zelfs in zijn dood.
1433Wijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het binnenste der zotten is, wordt bekend.
1434Gerechtigheid verhoogt een volk, maar de zonde is een schandvlek der natien.
1435Het welbehagen des konings is over een verstandigen knecht; maar zijn verbolgenheid zal zijn over dengene, die beschaamd maakt.
151Een zacht antwoord keert de grimmigheid af; maar een smartend woord doet den toorn oprijzen.
152De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.
153De ogen des HEEREN zijn in alle plaatsen, beschouwende de kwaden en de goeden.
154De medicijn der tong is een boom des levens; maar de verkeerdheid in dezelve is een breuk in den geest.
155Een dwaas zal de tucht zijns vaders versmaden; maar die de bestraffing waarneemt, zal kloekzinniglijk handelen.
156In het huis des rechtvaardigen is een grote schat; maar in des goddelozen inkomst is beroerte.
157De lippen der wijzen zullen de wetenschap uitstrooien; maar het hart der zotten niet alzo.
158Het offer der goddelozen is den HEERE een gruwel; maar het gebed der oprechten is Zijn welgevallen.
159De weg der goddelozen is den HEERE een gruwel; maar dien, die de gerechtigheid najaagt, zal Hij liefhebben.
1510De tucht is onaangenaam voor dengene die het pad verlaat; en die de bestraffing haat, zal sterven.
1511De hel en het verderf zijn voor den HEERE; hoeveel te meer de harten van des mensenkinderen?
1512De spotter zal niet liefhebben, die hem bestraft; hij zal niet gaan tot de wijzen.
1513Een vrolijk hart zal het aangezicht blijde maken; maar door de smart des harten wordt de geest verslagen.
1514Een verstandig hart zal de wetenschap opzoeken; maar de mond der zotten zal met dwaasheid gevoed worden.
1515Al de dagen des bedrukten zijn kwaad; maar een vrolijk hart is een gedurige maaltijd.
1516Beter is weinig met de vreze des HEEREN, dan een grote schat, en onrust daarbij.
1517Beter is een gerecht van groen moes, waar ook liefde is, dan een gemeste os, en haat daarbij.
1518Een grimmig man zal gekijf verwekken; maar de lankmoedige zal den twist stillen.
1519De weg des luiaards is als een doornheg; maar het pad der oprechten is wel gebaand.
1520Een wijs zoon zal den vader verblijden; maar een zot mens veracht zijn moeder.
1521De dwaasheid is den verstandeloze blijdschap; maar een man van verstand zal recht wandelen.
1522De gedachten worden vernietigd, als er geen raad is; maar door veelheid der raadslieden zal elkeen bestaan.
1523Een man heeft blijdschap in het antwoord zijns monds; en hoe goed is een woord op zijn tijd!
1524De weg des levens is den verstandige naar boven; opdat hij afwijke van de hel, beneden.
1525Het huis der hovaardigen zal de HEERE afrukken; maar de landpale der weduwe zal Hij vastzetten.
1526Des bozen gedachten zijn den HEERE een gruwel; maar der reinen zijn liefelijke redenen.
1527Die gierigheid pleegt, beroert zijn huis; maar die geschenken haat, zal leven.
1528Het hart des rechtvaardigen bedenkt zich, om te antwoorden; maar de mond der goddelozen zal overvloediglijk kwade dingen uitstorten.
1529De HEERE is ver van de goddelozen; maar het gebed der rechtvaardigen zal Hij verhoren.
1530Het licht der ogen verblijdt het hart; een goed gerucht maakt het gebeente vet.
1531Het oor, dat de bestraffing des levens hoort, zal in het midden der wijzen vernachten.
1532Die de tucht verwerpt, die versmaadt zijn ziel; maar die de bestraffing hoort, krijgt verstand.
1533De vreze des HEEREN is de tucht der wijsheid; en de nederigheid gaat voor de eer.
161De mens heeft schikkingen des harten; maar het antwoord der tong is van den HEERE.
162Alle wegen des mans zijn zuiver in zijn ogen; maar de HEERE weegt de geesten.
163Wentel uw werken op den HEERE, en uw gedachten zullen bevestigd worden.
164De HEERE heeft alles gewrocht om Zijns Zelfs wil; ja, ook den goddeloze tot den dag des kwaads.
165Al wie hoog is van hart, is den HEERE een gruwel; hand aan hand, zal hij niet onschuldig zijn.
166Door goedertierenheid en trouw wordt de misdaad verzoend; en door de vreze des HEEREN wijkt men af van het kwade.
167Als iemands wegen den HEERE behagen, zo zal Hij ook zijn vijanden met hem bevredigen.
168Beter is een weinig met gerechtigheid, dan de veelheid der inkomsten zonder recht.
169Het hart des mensen overdenkt zijn weg; maar de HEERE stiert zijn gang.
1610Waarzegging is op de lippen des konings; zijn mond zal niet overtreden in het gericht.
1611Een rechte waag en weegschaal zijn des HEEREN; alle weegstenen des zaks zijn Zijn werk.
1612Het is der koningen gruwel goddeloosheid te doen; want door gerechtigheid wordt de troon bevestigd.
1613De lippen der gerechtigheid zijn het welgevallen der koningen; en elkeen van hen zal liefhebben dien, die rechte dingen spreekt.
1614De grimmigheid des konings is als de boden des doods; maar een wijs man zal die verzoenen.
1615In het licht van des konings aangezicht is leven; en zijn welgevallen is als een wolk des spaden regens.
1616Hoeveel beter is het wijsheid te bekomen, dan uitgegraven goud, en uitnemender, verstand te bekomen, dan zilver!
1617De baan der oprechten is van het kwaad af te wijken; hij behoedt zijn ziel, die zijn weg bewaart.
1618Hovaardigheid is voor de verbreking, en hoogheid des geestes voor den val.
1619Het is beter nederig van geest te zijn met de zachtmoedigen, dan roof te delen met de hovaardigen.
1620Die op het woord verstandelijk let, zal het goede vinden; en die op den HEERE vertrouwt, is welgelukzalig.
1621De wijze van hart zal verstandig genoemd worden; en de zoetheid der lippen zal de lering vermeerderen.
1622Het verstand dergenen, die het bezitten, is een springader des levens; maar de tucht der dwazen is dwaasheid.
1623Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.
1624Liefelijke redenen zijn een honigraat, zoet voor de ziel, en medicijn voor het gebeente.
1625Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.
1626De ziel des arbeidzamen arbeidt voor zichzelven; want zijn mond buigt zich voor hem.
1627Een Belialsman graaft kwaad; en op zijn lippen is als brandend vuur.
1628Een verkeerd man zal krakeel inwerpen; en een oorblazer scheidt den voornaamsten vriend.
1629Een man des gewelds verlokt zijn naaste, en hij leidt hem in een weg, die niet goed is.
1630Hij sluit zijn ogen, om verkeerdheden te bedenken; zijn lippen bijtende, volbrengt hij het kwaad.
1631De grijsheid is een sierlijke kroon; zij wordt op den weg der gerechtigheid gevonden.
1632De lankmoedige is beter dan de sterke; en die heerst over zijn geest, dan die een stad inneemt.
1633Het lot wordt in den schoot geworpen; maar het gehele beleid daarvan is van den HEERE.
171Een droge bete, en rust daarbij, is beter, dan een huis vol van geslachte beesten met twist.
172Een verstandig knecht zal heersen over een zoon, die beschaamd maakt, en in het midden der broederen zal hij erfenis delen.
173De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud; maar de HEERE proeft de harten.
174De boosdoener merkt op de ongerechtige lip; een leugenaar neigt het oor tot de verkeerde tong.
175Die den arme bespot, smaadt deszelfs Maker; die zich verblijdt in het verderf, zal niet onschuldig zijn.
176De kroon de ouden zijn de kindskinderen, en der kinderen sieraad zijn hun vaderen.
177Een voortreffelijke lip past een dwaze niet, veelmin een prins een leugenachtige lip.
178Het geschenk is in de ogen zijner heren een aangenaam gesteente; waarhenen het zich zal wenden, zal het wel gedijen.
179Die de overtreding toedekt, zoekt liefde; maar die de zaak weder ophaalt, scheidt den voornaamsten vriend.
1710De bestraffing gaat dieper in den verstandige, dan den zot honderd maal te slaan.
1711Zekerlijk, de wederspannige zoekt het kwaad; maar een wrede bode zal tegen hem gezonden worden.
1712Dat een beer, die van jongen beroofd is, een man tegemoet kome, maar niet een zot in zijn dwaasheid.
1713Die kwaad voor goed vergeldt, het kwaad zal van zijn huis niet wijken.
1714Het begin des krakeels is gelijk een, die het water opening geeft; daarom verlaat den twist, eer hij zich vermengt.
1715Wie den goddeloze rechtvaardigt, en den rechtvaardige verdoemt, zijn den HEERE een gruwel, ja, die beiden.
1716Waarom toch zou in de hand des zots het koopgeld zijn, om wijsheid te kopen, dewijl hij geen verstand heeft?
1717Een vriend heeft te aller tijd lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren.
1718Een verstandeloos mens klapt in de hand, zich borg stellende bij zijn naaste.
1719Die het gekijf liefheeft, heeft de overtreding lief; die zijn deur verhoogt, zoekt verbreking.
1720Wie verdraaid is van hart, zal het goede niet vinden; en die verkeerd is met zijn tong, zal in het kwaad vallen.
1721Wie een zot genereert, die zal hem tot droefheid zijn; en de vader des dwazen zal zich niet verblijden.
1722Een blij hart zal een medicijn goed maken; maar een verslagen geest zal het gebeente verdrogen.
1723De goddeloze zal het geschenk uit den schoot nemen, om de paden des rechts te buigen.
1724In het aangezicht des verstandigen is wijsheid; maar de ogen des zots zijn in het einde der aarde.
1725Een zotte zoon is een verdriet voor zijn vader, en bittere droefheid voor degene, die hem gebaard heeft.
1726Het is niet goed, den rechtvaardige ook te doen boeten, dat de prinsen iemand slaan zouden om hetgeen recht is.
1727Wie wetenschap weet, houdt zijn woorden in; en een man van verstand is kostelijk van geest.
1728Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden, en die zijn lippen toesluit, verstandig.
181Die zich afzondert, tracht naar wat begeerlijks; hij vermengt zich in alle bestendige wijsheid.
182De zot heeft geen lust aan verstandigheid, maar daarin, dat zijn hart zich ontdekt.
183Als de goddeloze komt, komt ook de verachting en met schande versmaadheid.
184De woorden van den mond eens mans zijn diepe wateren; en de springader der wijsheid is een uitstortende beek.
185Het is niet goed, het aangezicht des goddelozen aan te nemen, om den rechtvaardige in het gericht te buigen.
186De lippen des zots komen in twist, en zijn mond roept naar slagen.
187De mond des zots is hemzelven een verstoring, en zijn lippen een strik zijner ziel.
188De woorden des oorblazers zijn als dergenen, die geslagen zijn, en die dalen in het binnenste des buiks.
189Ook die zich slap aanstelt in zijn werk, die is een broeder van een doorbrenger.
1810De Naam des HEEREN is een Sterke Toren; de rechtvaardige zal daarhenen lopen, en in een Hoog Vertrek gesteld worden.
1811Des rijken goed is de stad zijner sterkte, en als een verheven muur in zijn inbeelding.
1812Voor de verbreking zal des mensen hart zich verheffen; en de nederigheid gaat voor de eer.
1813Die antwoord geeft, eer hij zal gehoord hebben, dat is hem dwaasheid en schande.
1814De geest eens mans zal zijn krankheid ondersteunen; maar een verslagen geest, wie zal dien opheffen?
1815Het hart der verstandigen bekomt wetenschap, en het oor der wijzen zoekt wetenschap.
1816De gift des mensen maakt hem ruimte, en zij geleidt hem voor het aangezicht der groten.
1817Die de eerste is in zijn twistzaak, schijnt rechtvaardig te zijn; maar zijn naaste komt, en hij onderzoekt hem.
1818Het lot doet de geschillen ophouden, en maakt scheiding tussen machtigen.
1819Een broeder is wederspanniger dan een sterke stad; en de geschillen zijn als een grendel van een paleis.
1820Van de vrucht van ieders mond zal zijn buik verzadigd worden; hij zal verzadigd worden van de inkomst zijner lippen.
1821Dood en leven zijn in het geweld der tong; en een ieder, die ze liefheeft, zal haar vrucht eten.
1822Die een vrouw gevonden heeft, heeft een goede zaak gevonden, en hij heeft welgevallen getrokken van den HEERE.
1823De arme spreekt smekingen; maar de rijke antwoordt harde dingen.
1824Een man, die vrienden heeft, heeft zich vriendelijk te houden; want er is een liefhebber, die meer aankleeft dan een broeder.
191De arme, in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde van lippen, en die een zot is.
192Ook is de ziel zonder wetenschap niet goed; en die met de voeten haastig is, zondigt.
193De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.
194Het goed brengt veel vrienden toe; maar de arme wordt van zijn vriend gescheiden.
195Een vals getuige zal niet onschuldig zijn; en die leugen blaast, zal niet ontkomen.
196Velen smeken het aangezicht des prinsen; en een ieder is een vriend desgenen, die giften geeft.
197Al de broeders des armen haten hem; hoeveel te meer gaan zijn vrienden verre van hem! Hij loopt hen na met woorden die niets zijn.
198Die verstand bekomt, heeft zijn ziel lief; hij neemt de verstandigheid waar, om het goede te vinden.
199Een vals getuige zal niet onschuldig zijn; en die leugen blaast, zal vergaan.
1910De weelde staat een zot niet wel; hoeveel te min een knecht te heersen over vorsten!
1911Het verstand des mensen vertrekt zijn toorn; en zijn sieraad is de overtreding voorbij te gaan.
1912Des konings gramschap is als het brullen eens jongen leeuws; maar zijn welgevallen is als dauw op het kruid.
1913Een zotte zoon is zijn vader grote ellende; en de kijvingen ener vrouw als een gestadig druipen.
1914Huis en goed is een erve van de vaderen; maar een verstandige vrouw is van den HEERE.
1915Luiheid doet in diepen slaap vallen; en een bedriegelijke ziel zal hongeren.
1916Die het gebod bewaart, bewaart zijn ziel; die zijn wegen veracht, zal sterven.
1917Die zich des armen ontfermt, leent den HEERE, en Hij zal hem zijn weldaad vergelden.
1918Tuchtig uw zoon, als er nog hoop is; maar verhef uw ziel niet, om hem te doden.
1919Die groot is van grimmigheid, zal straf dragen; want zo gij hem uitredt, zo zult gij nog moeten voortvaren.
1920Hoor raad, en ontvang tucht, opdat gij in uw laatste wijs zijt.
1921In het hart des mans zijn veel gedachten; maar de raad des HEEREN, die zal bestaan.
1922De wens des mensen is zijn weldadigheid; maar de arme is beter dan een leugenachtig man.
1923De vreze des HEEREN is ten leven; want men zal verzadigd zijnde vernachten; met het kwaad zal men niet bezocht worden.
1924Een luiaard verbergt de hand in den boezem, en hij zal ze niet weder aan zijn mond brengen.
1925Sla de spotter, zo zal de slechte kloekzinnig worden; en bestraf den verstandige, hij zal wetenschap begrijpen.
1926Wie de vader verwoest, of de moeder verjaagt, is een zoon, die beschaamd maakt, en schande aandoet.
1927Laat af, mijn zoon, horende de tucht, af te dwalen van de redenen der wetenschap.
1928Een Belialsgetuige bespot het recht; en de mond der goddelozen slokt de ongerechtigheid in.
1929Gerichten zijn voor de spotters bereid, en slagen voor den rug der zotten.
201De wijn is een spotter, de sterke drank is woelachtig; al wie daarin dwaalt, zal niet wijs zijn.
202De schrik des konings is als het brullen eens jongen leeuws; die zich tegen hem vergramt, zondigt tegen zijn ziel.
203Het is eer voor een man, van twist af te blijven; maar ieder dwaas zal er zich in mengen.
204Om den winter zal de luiaard niet ploegen; daarom zal hij bedelen in den oogst, maar er zal niet zijn.
205De raad in het hart eens mans is als diepe wateren; maar een man van verstand zal dien uithalen.
206Elk van de menigte der mensen roept zijn weldadigheid uit; maar wie zal een recht trouwen man vinden?
207De rechtvaardige wandelt steeds in zijn oprechtheid; welgelukzalig zijn zijn kinderen na hem.
208Een koning, zittende op den troon des gerichts, verstrooit alle kwaad met zijn ogen.
209Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van mijn zonde?
2010Tweeerlei weegsteen, tweeerlei efa is den HEERE een gruwel, ja die beide.
2011Een jongen zal ook door zijn handelingen zich bekend maken, of zijn werk zuiver, en of het recht zal wezen.
2012Een horend oor, en een ziend oog heeft de HEERE gemaakt, ja, die beide.
2013Heb den slaap niet lief, opdat gij niet arm wordt; open uw ogen, verzadig u met brood.
2014Het is kwaad, het is kwaad! zal de koper zeggen; maar als hij weggegaan is, dan zal hij zich beroemen.
2015Goud is er, en menigte van robijnen; maar de lippen de wetenschap zijn een kostelijk kleinood.
2016Als iemand voor een vreemde borg geworden is, neem zijn kleed; en pand hem voor de onbekenden.
2017Het brood der leugen is den mens zoet; maar daarna zal zijn mond vol van zandsteentjes worden.
2018Elke gedachte wordt door raad bevestigd, daarom voer oorlog met wijze raadslagen.
2019Die als een achterklapper wandelt, openbaart het heimelijke; vermeng u dan niet met hem, die met zijn lippen verlokt.
2020Wie zijn vader of zijn moeder vloekt, diens lamp zal uitgeblust worden in zwarte duisternis.
2021Als een erfenis in het eerste verhaast wordt, zo zal haar laatste niet gezegend worden.
2022Zeg niet: Ik zal het kwaad vergelden; wacht op den HEERE, en Hij zal u verlossen.
2023Tweeerlei weegsteen is den HEERE een gruwel, en de bedriegelijke weegschaal is niet goed.
2024De treden des mans zijn van den HEERE; hoe zou dan een mens zijn weg verstaan?
2025Het is een strik des mensen, dat hij het heilige verslindt, en na gedane geloften, onderzoek te doen.
2026Een wijs koning verstrooit de goddelozen, en hij brengt het rad over hen.
2027De ziel des mensen is een lamp des HEEREN, doorzoekende al de binnenkameren des buiks.
2028Weldadigheid en waarheid bewaren den koning; en door weldadigheid ondersteunt hij zijn troon.
2029Der jongelingen sieraad is hun kracht, en der ouden heerlijkheid is de grijsheid.
2030Gezwellen der wonde zijn in den boze een zuivering, mitsgaders de slagen van het binnenste des buiks.
211Des konings hart is in de hand des HEEREN als waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil.
212Alle weg des mensen is recht in zijn ogen; maar de HEERE weegt de harten.
213Gerechtigheid en recht te doen is bij den HEERE uitgelezener dan offer.
214Hoogheid der ogen, en trotsheid des harten, en de ploeging der goddelozen, zijn zonde.
215De gedachten des vlijtigen zijn alleen tot overschot; maar van een ieder, die haastig is, alleen tot gebrek.
216Te arbeiden om schatten met een valse tong, is een voortgedrevene ijdelheid dergenen, die den dood zoeken.
217De verwoesting der goddelozen zal hen doorsnijden, omdat zij weigeren recht te doen.
218De weg des mensen is gans verkeerd en vreemd; maar het werk des zuiveren is recht.
219Het is beter te wonen op een hoek van het dak, dan met een kijfachtige huisvrouw, en dat in een huis van gezelschap.
2110De ziel des goddelozen begeert het kwaad; zijn naaste krijgt geen genade in zijn ogen.
2111Als men den spotter straft, wordt de slechte wijs; en als men den wijze onderricht, neemt hij wetenschap aan.
2112De rechtvaardige let verstandelijk op des goddelozen huis, als God de goddelozen in het kwaad stort.
2113Die zijn oor stopt voor het geschrei des armen, die zal ook roepen, en niet verhoord worden.
2114Een gift in het verborgene houdt den toorn onder, en een geschenk in den schoot de sterke grimmigheid.
2115Het is den rechtvaardige een blijdschap recht te doen; maar voor de werkers der ongerechtigheid is het verschrikking.
2116Een mens, die van den weg des verstands afdwaalt, zal in de gemeente der doden rusten.
2117Die blijdschap liefheeft, die zal gebrek lijden; die wijn en olie liefheeft, zal niet rijk worden.
2118De goddeloze is een rantsoen voor de rechtvaardigen, en de trouweloze voor de oprechten.
2119Het is beter te wonen in een woest land, dan bij een zeer kijfachtige en toornige huisvrouw.
2120In des wijzen woning is een gewenste schat, en olie; maar een zot mens verslindt zulks.
2121Die rechtvaardigheid en weldadigheid najaagt, zal het leven, rechtvaardigheid en eer vinden.
2122De wijze beklimt de stad der geweldigen, en werpt de sterkte huns vertrouwens neder.
2123Die zijn mond en zijn tong bewaart, bewaart zijn ziel van benauwdheden.
2124Die een hovaardig pocher is, zijn naam is spotter; hij gaat met hovaardige verbolgenheid te werk.
2125De begeerte des luiaards zal hem doden, want zijn handen weigeren te werken.
2126Den gansen dag begeert hij begeerlijke dingen; maar de rechtvaardige zal geven, en niet inhouden.
2127Het offer der goddelozen is een gruwel; hoeveel te meer, als zij het met een schandelijk voornemen brengen!
2128Een leugenachtig getuige zal vergaan; en een man, die hoort, zal spreken tot overwinning.
2129Een goddeloos man sterkt zich in zijn aangezicht; maar de oprechte, die maakt zijn weg vast.
2130Er is geen wijsheid, en er is geen verstand, en er is geen raad tegen den HEERE.
2131Het paard wordt bereid tegen den dag des strijds; maar de overwinning is des HEEREN.
221De naam is uitgelezener dan grote rijkdom, de goede gunst dan zilver en dan goud.
222Rijken en armen ontmoeten elkander; de HEERE heeft hen allen gemaakt.
223Een kloekzinnig mens ziet het kwaad, en verbergt zich; maar de slechten gaan henen door, en worden gestraft.
224Het loon der nederigheid, met de vreze des HEEREN, is rijkdom, en eer, en leven.
225Doornen en strikken, zijn in den weg des verkeerden; die zijn ziel bewaart, zal zich verre van die maken.
226Leer den jongen de eerste beginselen naar den eis zijns wegs; als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken.
227De rijke heerst over de armen; en die ontleent, is des leners knecht.
228Die onrecht zaait, zal moeite maaien; en de roede zijner verbolgenheid zal een einde nemen.
229Die goed van oog is, die zal gezegend worden; want hij heeft van zijn brood den armen gegeven.
2210Drijf den spotter uit, en het gekijf zal weggaan, en het geschil met de schande zal ophouden.
2211Die de reinheid des harten liefheeft, wiens lippen aangenaam zijn, diens vriend is de koning.
2212De ogen des HEEREN bewaren de wetenschap; maar de zaken des trouwelozen zal Hij omkeren.
2213De luiaard zegt: Er is een leeuw buiten; ik mocht op het midden der straten gedood worden!
2214De mond der vreemde vrouwen is een diepe gracht; op welken de HEERE vergramd is, zal daarin vallen.
2215De dwaasheid is in het hart des jongen gebonden; de roede der tucht zal ze verre van hem wegdoen.
2216Die den arme verdrukt, om het zijne te vermeerderen, en den rijke geeft, komt zekerlijk tot gebrek.
2217Neig uw oor, en hoor de woorden der wijzen, en stel uw hart tot mijn wetenschap;
2218Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden.
2219Opdat uw vertrouwen op den HEERE zij, maak ik u die heden bekend; gij ook maak ze bekend.
2220Heb ik u niet heerlijke dingen geschreven van allerlei raad en wetenschap?
2221Om u bekend te maken de zekerheid van de redenen der waarheid; opdat gij de redenen der waarheid antwoorden moogt dengenen, die u zenden.
2222Beroof den arme niet, omdat hij arm is; en verbrijzel den ellendige niet in de poort.
2223Want de HEERE zal hun twistzaak twisten, en Hij zal dengenen, die hen beroven, de ziel roven.
2224Vergezelschap u niet met een grammoedige, en ga niet om met een zeer grimmig man;
2225Opdat gij zijn paden niet leert, en een strik over uw ziel haalt.
2226Wees niet onder degenen, die in de hand klappen, onder degenen, die voor schulden borg zijn.
2227Zo gij niet hadt om te betalen, waarom zou men uw bed van onder u wegnemen?
2228Zet de oude palen niet terug, die uw vaderen gemaakt hebben.
2229Hebt gij een man gezien, die vaardig in zijn werk is? Hij zal voor het aangezicht der koningen gesteld worden; voor het aangezicht der ongeachte lieden zal hij niet gesteld worden.
231Als gij aangezeten zult zijn om met een heerser te eten, zo zult gij scherpelijk letten op dengene, die voor uw aangezicht is.
232En zet een mes aan uw keel, indien gij een gulzig mens zijt;
233Laat u niet gelusten zijner smakelijke spijzen, want het is een leugenachtig brood.
234Vermoei u niet om rijk te worden; sta af van uw vernuft.
235Zult gij uw ogen laten vliegen op hetgeen niets is? Want het zal zich gewisselijk vleugelen maken gelijk een arend, die naar den hemel vliegt.
236Eet het brood niet desgenen, die boos is van oog, en wees niet belust op zijn smakelijke spijzen;
237Want gelijk hij bedacht heeft in zijn ziel, alzo zal hij tot u zeggen: Eet en drink! maar zijn hart is niet met u;
238Uw bete, die gij gegeten hebt, zoudt gij uitspuwen; en gij zoudt uw liefelijke woorden verderven.
239Spreek niet voor het oor van een zot, want hij zou het verstand uwer woorden verachten.
2310Zet de oude palen niet terug; en kom op de akkers der wezen niet;
2311Want hun Verlosser is sterk; Die zal hun twistzaak tegen u twisten.
2312Begeef uw hart tot de tucht, en uw oren tot de redenen der wetenschap.
2313Weer de tucht van den jongen niet; als gij hem met de roede zult slaan, zal hij niet sterven.
2314Gij zult hem met de roede slaan, en zijn ziel van de hel redden.
2315Mijn zoon! zo uw hart wijs is, mijn hart zal blijde zijn, ja, ik.
2316En mijn nieren zullen van vreugde opspringen, als uw lippen billijkheden spreken zullen.
2317Uw hart zij niet nijdig over de zondaren; maar zijt ten allen dage in de vreze des HEEREN.
2318Want zekerlijk, er is een beloning; en uw verwachting zal niet afgesneden worden.
2319Hoor gij, mijn zoon! en word wijs, en richt uw hart op den weg.
2320Zijt niet onder de wijnzuipers, noch onder de vleesvreters;
2321Want een zuiper en vraat zal arm worden; en de sluimering doet verscheurde klederen dragen.
2322Hoor naar uw vader, die u gewonnen heeft; en veracht uw moeder niet, als zij oud geworden is.
2323Koop de waarheid, en verkoop ze niet, mitsgaders wijsheid, en tucht, en verstand.
2324De vader des rechtvaardigen zal zich zeer verheugen; en die een wijzen zoon gewint, zal zich over hem verblijden.
2325Laat uw vader zich verblijden, ook uw moeder; en laat haar zich verheugen, die u gebaard heeft.
2326Mijn zoon! geef mij uw hart, en laat uw ogen mijn wegen bewaren.
2327Want een hoer is een diepe gracht, en een vreemde vrouw is een enge put.
2328Ook loert zij als een rover; en zij vermenigvuldigt de trouwelozen onder de mensen.
2329Bij wien is wee? bij wien och arme? bij wien gekijf? bij wien het beklag? bij wien wonden zonder oorzaak? bij wien de roodheid der ogen?
2330Bij degenen, die bij den wijn vertoeven; bij degenen, die komen om gemengde drank na te zoeken.
2331Zie den wijn niet aan, als hij zich rood vertoont, als hij in den beker zijn verve geeft, als hij recht opgaat;
2332In zijn einde zal hij als een slang bijten, en steken als een adder.
2333Uw ogen zullen naar vreemde vrouwen zien, en uw hart zal verkeerdheden spreken.
2334En gij zult zijn, gelijk een, die in het hart van de zee slaapt; en gelijk een, die in het opperste van den mast slaapt.
2335Men heeft mij geslagen, zult gij zeggen, ik ben niet ziek geweest; men heeft mij gebeukt, ik heb het niet gevoeld; wanneer zal ik opwaken? Ik zal hem nog meer zoeken!
241Zijt niet nijdig over de boze lieden, en laat u niet gelusten, om bij hen te zijn.
242Want hun hart bedenkt verwoesting, en hun lippen spreken moeite.
243Door wijsheid wordt een huis gebouwd, en door verstandigheid bevestigd;
244En door wetenschap worden de binnenkameren vervuld met alle kostelijk en liefelijk goed.
245Een wijs man is sterk; en een man van wetenschap maakt de kracht vast.
246Want door wijze raadslagen zult gij voor u den krijg voeren, en in de veelheid der raadgevers is de overwinning.
247Alle wijsheid is voor den dwaze te hoog; hij zal in de poort zijn mond niet opendoen.
248Die denkt om kwaad te doen, dien zal men een meester van schandelijke verdichtselen noemen.
249De gedachte der dwaasheid is zonde; en een spotter is den mens een gruwel.
2410Vertoont gij u slap ten dage uwer benauwdheid, uw kracht is nauw.
2411Red degenen, die ter dood gegrepen zijn; want zij wankelen ter doding, zo gij u onthoudt.
2412Wanneer gij zegt: Ziet, wij weten dat niet; zal Hij, Die de harten weegt, dat niet merken? En Die uwe ziel gadeslaat, zal Hij het niet weten? Want Hij zal den mens vergelden naar zijn werk.
2413Eet honig, mijn zoon! want hij is goed, en honigzeem is zoet voor uw gehemelte.
2414Zodanig is de kennis der wijsheid voor uw ziel; als gij ze vindt, zo zal er beloning wezen, en uw verwachting zal niet afgesneden worden.
2415Loer niet, o goddeloze! op de woning des rechtvaardigen; verwoest zijn legerplaats niet.
2416Want de rechtvaardige zal zevenmaal vallen, en opstaan; maar de goddelozen zullen in het kwaad nederstruikelen.
2417Verblijd u niet als uw vijand valt; en als hij nederstruikelt, laat uw hart zich niet verheugen;
2418Opdat het de HEERE niet zie, en het kwaad zij in Zijn ogen en Hij Zijn toorn van hem afkere.
2419Ontsteek u niet over de boosdoeners; zijt niet nijdig over de goddelozen.
2420Want de kwade zal geen beloning hebben, de lamp der goddelozen zal uitgeblust worden.
2421Mijn zoon! vrees den HEERE en den koning; vermeng u niet met hen, die naar verandering staan;
2422Want hun verderf zal haastelijk ontstaan; en wie weet hun beider ondergang?
2423Deze spreuken zijn ook van de wijzen. Het aangezicht in het gericht te kennen, is niet goed.
2424Die tot den goddeloze zegt: Gij zijt rechtvaardig; dien zullen de volken vervloeken, de natien zullen hem gram zijn.
2425Maar voor degenen, die hem bestraffen, zal liefelijkheid zijn; en de zegen des goeds zal op hem komen.
2426Men zal de lippen kussen desgenen, die rechte woorden antwoordt.
2427Beschik uw werk daarbuiten, en bereid het voor u op den akker, en bouw daarna uw huis.
2428Wees niet zonder oorzaak getuige tegen uw naaste; want zoudt gij verleiden met uw lip?
2429Zeg niet: Gelijk als hij mij gedaan heeft, zo zal ik hem doen; ik zal een ieder vergelden naar zijn werk.
2430Ik ging voorbij den akker eens luiaards, en voorbij den wijngaard van een verstandeloos mens;
2431En ziet, hij was gans opgeschoten van distelen; zijn gedaante was met netelen bedekt, en zijn stenen scheidsmuur was afgebroken.
2432Als ik dat aanschouwde, nam ik het ter harte; ik zag het, en nam onderwijzing aan;
2433Een weinig slapens, een weinig sluimerens, en weinig handvouwens, al nederliggende;
2434Zo zal uw armoede u overkomen, als een wandelaar, en uw velerlei gebrek als een gewapend man.
251Dit zijn ook spreuken van Salomo, die de mannen van Hizkia, den koning van Juda, uitgeschreven hebben.
252Het is Gods eer een zaak te verbergen; maar de eer der koningen een zaak te doorgronden.
253Aan de hoogte des hemels, en aan de diepte der aarde, en aan het hart der koningen is geen doorgronding.
254Doe het schuim van het zilver weg, en er zal een vat voor den smelter uitkomen;
255Doe den goddelozen weg van het aangezicht des konings, en zijn troon zal door gerechtigheid bevestigd worden.
256Praal niet voor het aangezicht des konings, en sta niet in de plaats der groten;
257Want het is beter, dat men tot u zegge: Kom hier bovenaan, dan dat men u vernedere voor het aangezicht eens prinsen, dien uw ogen gezien hebben.
258Vaar niet haastelijk voort om te twisten, opdat gij misschien in het laatste daarvan niet wat doet, als uw naaste u zou mogen beschaamd hebben.
259Twist uw twistzaak met uw naaste; maar openbaar het heimelijke van een ander niet;
2510Opdat degene, die het hoort, u niet smade; want uw kwaad gerucht zou niet afgekeerd worden.
2511Een rede, op zijn pas gesproken, is als gouden appelen in zilveren gebeelde schalen.
2512Een wijs bestraffer bij een horend oor, is een gouden oorsiersel, en een halssieraad van het fijnste goud.
2513Een trouw gezant is dengenen, die hem zenden, als de koude der sneeuw ten dage des oogstes; want hij verkwikt zijns heren ziel.
2514Een man, die zichzelven beroemt over een valse gift, is als wolken en wind, waar geen regen bij is.
2515Een overste wordt door lankmoedigheid overreed; en een zachte tong breekt het gebeente.
2516Hebt gij honig gevonden, eet dat u genoeg is; opdat gij misschien daarvan niet zat wordt, en dien uitspuwt.
2517Spaar uw voet van het huis uws naasten, opdat hij niet zat van u worde, en u hate.
2518Een man, tegen zijn naaste een valse getuigenis sprekende, is een hamer, en zwaard, en scherpe pijl.
2519Het vertrouwen op een trouweloze, ten dage der benauwdheid, is als een gebroken tand en verstuikte voet.
2520Die liederen zingt bij een treurig hart, is gelijk hij, die een kleed aflegt ten dage der koude, en edik op salpeter.
2521Indien dengene, die u haat, hongert, geef hem brood te eten; en zo hij dorstig is, geef hem water te drinken;
2522Want gij zult vurige kolen op zijn hoofd hopen, en de HEERE zal het u vergelden.
2523De noordenwind verdrijft den regen, en een vergramd aangezicht de verborgen tong.
2524Het is beter te wonen op een hoek van het dak, dan met een kijfachtige huisvrouw, en dat in een huis van gezelschap.
2525Een goede tijding uit een ver land is als koud water op een vermoeide ziel.
2526De rechtvaardige, wankelende voor het aangezicht des goddelozen, is een beroerde fontein, en verdorven springader.
2527Veel honigs te eten is niet goed; maar de onderzoeking van de heerlijkheid van zulke dingen is eer.
2528Een man, die zijn geest niet wederhouden kan, is een opengebrokene stad zonder muur.
261Gelijk de sneeuw in den zomer, en gelijk de regen in den oogst, alzo past den zot de eer niet.
262Gelijk de mus is tot wegzweven, gelijk een zwaluw tot vervliegen, alzo zal een vloek, die zonder oorzaak is, niet komen.
263Een zweep is voor het paard, een toom voor den ezel, en een roede voor den rug der zotten.
264Antwoord den zot naar zijn dwaasheid niet, opdat gij ook hem niet gelijk wordt.
265Antwoord den zot naar zijn dwaasheid, opdat hij in zijn ogen niet wijs zij.
266Hij snijdt zich de voeten af, en drinkt geweld, die boodschappen zendt door de hand van een zot.
267Hef de benen van den kreupele op; alzo is een spreuk in den mond der zotten.
268Gelijk hij, die een edel gesteente in een slinger bindt, alzo is hij, die den zot eer geeft.
269Gelijk een doorn gaat in de hand eens dronkaards, alzo is een spreuk in den mond der zotten.
2610De groten doen een iegelijk verdriet aan, en huren de zotten, en huren de overtreders.
2611Gelijk een hond tot zijn uitspuwsel wederkeert, alzo herneemt de zot zijn dwaasheid.
2612Hebt gij een man gezien, die wijs in zijn ogen is! Van een zot is meer verwachting dan van hem.
2613De luiaard zegt: Er is een felle leeuw op den weg, een leeuw is op de straten.
2614Een deur keert om op haar herre, alzo de luiaard op zijn bed.
2615De luiaard verbergt zijn hand in den boezem, hij is te moede, om die weder tot zijn mond te brengen.
2616De luiaard is wijzer in zijn ogen, dan zeven, die met rede antwoorden.
2617De voorbijgaande, die zich vertoornt in een twist, die hem niet aangaat, is gelijk die een hond bij de oren grijpt.
2618Gelijk een, die zich veinst te razen, die vuursprankelen, pijlen en dodelijke dingen werpt;
2619Alzo is een man, die zijn naaste bedriegt, en zegt: Jok ik er niet mede?
2620Als er geen hout is, gaat het vuur uit; en als er geen oorblazer is, wordt het gekijf gestild.
2621De dove kool is om de vurige kool, en het hout om het vuur; alzo is een kijfachtig man, om twist te ontsteken.
2622De woorden des oorblazers zijn als dergenen, die geslagen zijn, en die dalen in het binnenste des buiks.
2623Brandende lippen, en een boos hart, zijn als een potscherf met schuim van zilver overtogen.
2624Die haat draagt, gelaat zich vreemd met zijn lippen; maar in zijn binnenste stelt hij bedrog aan.
2625Als hij met zijn stem smeekt, geloof hem niet, want zeven gruwelen zijn in zijn hart.
2626Wiens haat door bedrog bedekt is, diens boosheid zal in de gemeente geopenbaard worden.
2627Die een kuil graaft, zal er in vallen, en die een steen wentelt, op hem zal hij wederkeren.
2628Een valse tong haat degenen, die zij verbrijzelt; en een gladde mond maakt omstoting.
271Beroem u niet over den dag van morgen; want gij weet niet, wat de dag zal baren.
272Laat u een vreemde prijzen, en niet uw mond; een onbekende, en niet uw lippen.
273Een steen is zwaar, en het zand gewichtig; maar de toornigheid des dwazen is zwaarder dan die beide.
274Grimmigheid en overloping van toorn is wreedheid; maar wie zal voor nijdigheid bestaan?
275Openbare bestraffing is beter dan verborgene liefde.
276De wonden des liefhebbers zijn getrouw; maar de kussingen des haters zijn af te bidden.
277Een verzadigde ziel vertreedt het honigzeem; maar aan een hongerige ziel is alle bitter zoet.
278Gelijk een vogel is, die uit zijn nest omdoolt, alzo is een man, die omdoolt uit zijn plaats.
279Olie en reukwerk verblijdt het hart; alzo is de zoetigheid van iemands vriend, vanwege den raad der ziel.
2710Verlaat uw vriend, noch den vriend uws vaders niet; en ga ten huize uws broeders niet op den dag van uw tegenspoed. Beter is een gebuur die nabij is, dan een broeder, die verre is.
2711Zijt wijs, mijn zoon, en verblijd mijn hart; opdat ik mijn smader wat te antwoorden heb.
2712De kloekzinnige ziet het kwaad, en verbergt zich; de slechten gaan henen door, en worden gestraft.
2713Als iemand voor een vreemde borg geworden is, neem zijn kleed, en pand hem voor een onbekende vrouw.
2714Die zijn vriend zegent met luider stem, zich des morgens vroeg opmakende, het zal hem tot een vloek gerekend worden.
2715Een gedurige druiping ten dage des slagregens en een kijfachtige huisvrouw zijn even gelijk.
2716Elkeen, die haar verbergt, zou den wind verbergen, en de olie zijner rechterhand, die roept.
2717Ijzer scherpt men met ijzer; alzo scherpt een man het aangezicht zijns naasten.
2718Die den vijgeboom bewaart, zal zijn vrucht eten; en die zijn heer waarneemt, zal geeerd worden.
2719Gelijk in het water het aangezicht is tegen het aangezicht, alzo is des mensen hart tegen den mens.
2720De hel en het verderf worden niet verzadigd; alzo worden de ogen des mensen niet verzadigd.
2721De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud; alzo is een man naar zijn lof te proeven.
2722Al stiet gij den dwaas in een mortier met een stamper, in het midden van het gestoten graan, zijn dwaasheid zou van hem niet afwijken.
2723Zijt naarstig, om het aangezicht uwer schapen te kennen; zet uw hart op de kudden.
2724Want de schat is niet tot in eeuwigheid; of zal de kroon van geslacht tot geslacht zijn?
2725Als het gras zich openbaart, en de grasscheuten gezien worden, laat de kruiden der bergen verzameld worden.
2726De lammeren zullen zijn tot uw kleding, en de bokken de prijs des velds.
2727Daartoe zult gij genoegzaamheid van geitenmelk hebben tot uw spijze, tot spijze van uw huis, en leeftocht uwer maagden.
281De goddelozen vlieden, waar geen vervolger is; maar elk rechtvaardige is moedig, als een jonge leeuw.
282Om de overtreding des lands zijn deszelfs vorsten vele; maar om verstandige en wetende mensen zal insgelijks verlenging wezen.
283Een arm man, die de geringen verdrukt, is een wegvagende regen, zodat er geen brood zij.
284Die de wet verlaten, prijzen de goddelozen; maar die de wet bewaren, mengen zich in strijd tegen hen.
285De kwade lieden verstaan het recht niet; maar die den HEERE zoeken, verstaan alles.
286De arme, wandelende in zijn oprechtheid, is beter, dan die verkeerd is van wegen, al is hij rijk.
287Die de wet bewaart, is een verstandig zoon; maar die der vraten metgezel is, beschaamt zijn vader.
288Die zijn goed vermeerdert met woeker en met overwinst, vergadert dat voor dengene, die zich des armen ontfermt.
289Die zijn oor afwendt van de wet te horen, diens gebed zelfs zal een gruwel zijn.
2810Die de oprechten doet dwalen op een kwaden weg, zal zelf in zijn gracht vallen; maar de vromen zullen het goede beerven.
2811Een rijk man is wijs in zijn ogen; maar de arme, die verstandig is, doorzoekt hem.
2812Als de rechtvaardigen opspringen van vreugde, is er grote heerlijkheid; maar als de goddelozen opkomen, wordt de mens nauw gezocht.
2813Die zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn; maar die ze bekent en laat, zal barmhartigheid verkrijgen.
2814Welgelukzalig is de mens, die geduriglijk vreest; maar die zijn hart verhardt, zal in het kwaad vallen.
2815De goddeloze, heersende over een arm volk, is een brullende leeuw, en een beer, die ginds en weder loopt.
2816Een vorst, die van alle verstand gebrek heeft, is ook veelvoudig in verdrukkingen; maar die de gierigheid haat, zal de dagen verlengen.
2817Een mens, gedrukt om het bloed ener ziel, zal naar den kuil toevlieden; men ondersteune hem niet!
2818Die oprecht wandelt, zal behouden worden; maar die zich verkeerdelijk gedraagt in twee wegen, zal in den enen vallen.
2819Die zijn land bouwt, zal met brood verzadigd worden; maar die ijdele mensen volgt, zal met armoede verzadigd worden.
2820Een gans getrouw man zal veelvoudig zijn in zegeningen; maar die haastig is, om rijk te worden, zal niet onschuldig wezen.
2821De aangezichten te kennen, is niet goed; want een man zal om een stuk broods overtreden.
2822Die zich haast naar goed, is een man van een boos oog; maar hij weet niet, dat het gebrek hem overkomen zal.
2823Die een mens bestraft, zal achterna gunst vinden, meer dan die met de tong vleit.
2824Wie zijn vader of zijn moeder berooft, en zegt: Het is geen overtreding; die is des verdervenden mans gezel.
2825Die grootmoedig is, verwekt gekijf; maar die op den HEERE vertrouwt, zal vet worden.
2826Die op zijn hart vertrouwt, die is een zot; maar die in wijsheid wandelt, die zal ontkomen.
2827Die den armen geeft, zal geen gebrek hebben; maar die zijn ogen verbergt, zal veel vervloekt worden.
2828Als de goddelozen opkomen, verbergt zich de mens; maar als zij omkomen, vermenigvuldigen de rechtvaardigen.
291Een man, die, dikwijls bestraft zijnde, den nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zodat er geen genezen aan zij.
292Als de rechtvaardigen groot worden, verblijdt zich het volk; maar als de goddeloze heerst, zucht het volk.
293Een man, die de wijsheid bemint, verblijdt zijn vader; maar die een metgezel der hoeren is, brengt het goed door.
294Een koning houdt het land staande door het recht; maar een, die tot geschenken genegen is, verstoort hetzelve.
295Een man, die zijn naaste vleit, spreidt een net uit voor deszelfs gangen.
296In de overtreding eens bozen mans is een strik; maar de rechtvaardige juicht en is blijde.
297De rechtvaardige neemt kennis van de rechtzaak der armen; maar de goddeloze begrijpt de wetenschap niet.
298Spotdrijvende lieden blazen een stad aan brand; maar de wijzen keren den toorn af.
299Een wijs man, met een dwaas man in rechten zich begeven hebbende, hetzij dat hij beroerd is of lacht, zo is er toch geen rust.
2910Bloedgierige lieden haten den vrome; maar de oprechten zoeken zijn ziel.
2911Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.
2912Een heerser, die op leugentaal acht geeft, al zijn dienaars zijn goddeloos.
2913De arme en de bedrieger ontmoeten elkander; de HEERE verlicht hun beider ogen.
2914Een koning, die de armen in trouw recht doet, diens troon zal in eeuwigheid bevestigd worden.
2915De roede, en de bestraffing geeft wijsheid; maar een kind, dat aan zichzelf gelaten is, beschaamt zijn moeder.
2916Als de goddelozen velen worden, wordt de overtreding veel; maar de rechtvaardigen zullen hun val aanzien.
2917Tuchtig uw zoon, en hij zal u gerustheid aandoen, en hij zal uw ziel vermakelijkheden geven.
2918Als er geen profetie is, wordt het volk ontbloot; maar welgelukzalig is hij, die de wet bewaart.
2919Een knecht zal door de woorden niet getuchtigd worden; hoewel hij u verstaat, nochtans zal hij niet antwoorden.
2920Hebt gij een man gezien, die haastig in zijn woorden is? Van een zot is meer verwachting dan van hem.
2921Als men zijn knecht van jongs op weeldig houdt, hij zal in zijn laatste een zoon willen zijn.
2922Een toornig man verwekt gekijf; en de grammoedige is veelvoudig in overtreding.
2923De hoogmoed des mensen zal hem vernederen; maar de nederige van geest zal de eer vasthouden.
2924Die met een dief deelt, haat zijn ziel; hij hoort een vloek, en hij geeft het niet te kennen.
2925De siddering des mensen legt een strik; maar die op den HEERE vertrouwt, zal in een hoog vertrek gesteld worden.
2926Velen zoeken het aangezicht des heersers; maar een ieders recht is van den HEERE.
2927Een ongerechtig man is den rechtvaardige een gruwel; maar die recht is van weg, is den goddeloze een gruwel.
301De woorden van Agur, den zoon van Jake; een last. De man spreekt tot Ithiel, tot Ithiel en Uchal.
302Voorwaar, ik ben onvernuftiger dan iemand; en ik heb geen mensenverstand;
303En ik heb geen wijsheid geleerd, noch de wetenschap der heiligen gekend.
304Wie is ten hemel opgeklommen, en nedergedaald? Wie heeft den wind in Zijn vuisten verzameld? Wie heeft de wateren in een kleed gebonden? Wie heeft al de einden der aarde gesteld? Hoe is Zijn Naam, en hoe is de Naam Zijns Zoons, zo gij het weet?
305Alle rede Gods is doorlouterd; Hij is een Schild dengenen, die op Hem betrouwen.
306Doe niet tot Zijn woorden, opdat Hij u niet bestraffe, en gij leugenachtig bevonden wordt.
307Twee dingen heb ik van U begeerd, onthoud ze mij niet, eer ik sterve:
308Ijdelheid en leugentaal doe verre van mij; armoede of rijkdom geef mij niet; voed mij met het brood mijns bescheiden deels;
309Opdat ik, zat zijnde, U dan niet verloochene, en zegge: Wie is de HEERE? of dat ik, verarmd zijnde, dan niet stele, en den Naam mijns Gods aantaste.
3010Achterklap niet van den knecht bij zijn heer, opdat hij u niet vloeke, en gij schuldig wordt.
3011Daar is een geslacht, dat zijn vader vervloekt, en zijn moeder niet zegent;
3012Een geslacht, dat rein in zijn ogen is, en van zijn drek niet gewassen is;
3013Een geslacht, welks ogen hoog zijn, en welks oogleden verheven zijn;
3014Een geslacht, welks tanden zwaarden, en welks baktanden messen zijn, om de ellendigen van de aarde en de nooddruftigen van onder de mensen te verteren.
3015De bloedzuiger heeft twee dochters: Geef, geef! Deze drie dingen worden niet verzadigd; ja, vier zeggen niet: Het is genoeg!
3016Het graf, de gesloten baarmoeder, de aarde, die van water niet verzadigd wordt, en het vuur zegt niet: Het is genoeg!
3017Het oog, dat den vader bespot, of de gehoorzaamheid der moeder veracht, dat zullen de raven der beek uitpikken, en des arends jongen zullen het eten.
3018Deze drie dingen zijn voor mij te wonderlijk, ja, vier, die ik niet weet:
3019De weg eens arends in den hemel; de weg ener slang op een rotssteen; de weg van een schip in het hart der zee; en de weg eens mans bij een maagd.
3020Alzo is de weg ener overspelige vrouw; zij eet en wist haar mond, en zegt: Ik heb geen ongerechtigheid gewrocht!
3021Om drie dingen ontroert zich de aarde, ja, om vier, die zij niet dragen kan:
3022Om een knecht, als hij regeert; en een dwaas, als hij van brood verzadigd is;
3023Om een hatelijke vrouw, als zij getrouwd wordt; en een dienstmaagd, als zij erfgenaam is van haar vrouw.
3024Deze vier zijn van de kleinste der aarde; doch dezelve zijn wijs, met wijsheid wel voorzien.
3025De mieren zijn een onsterk volk; evenwel bereiden zij in de zomer haar spijs.
3026De konijnen zijn een machteloos volk; nochtans stellen zij hun huis in den rotssteen.
3027De sprinkhanen hebben geen koning; nochtans gaan zij allen uit, zich verdelende in hopen.
3028De spinnekop grijpt met de handen, en is in de paleizen der koningen.
3029Deze drie maken een goeden tred; ja, vier zijn er, die een goeden gang maken;
3030De oude leeuw geweldig onder de gedierten, die voor niemand zal wederkeren;
3031Een windhond van goede lenden, of een bok; en een koning, die niet tegen te staan is.
3032Zo gij dwaselijk gehandeld hebt, met u te verheffen, en zo gij kwaad bedacht hebt, de hand op den mond!
3033Want de drukking der melk brengt boter voort, en de drukking van den neus brengt bloed voort, en de drukking des toorns brengt twist voort.
311De woorden van de koning Lemuel; de last, maarmede zijn moeder hem onderwees.
312Wat, o mijn zoon, en wat, o zoon mijns buiks? ja, wat, o zoon mijner geloften?
313Geeft aan de vrouwen uw vermogen niet, noch uw wegen, om koningen te verdelgen.
314Het komt den koningen niet toe, o Lemuel! het komt den koningen niet toe wijn te drinken, en den prinsen, sterken drank te begeren;
315Opdat hij niet drinke, en het gezette vergete, en de rechtzaak van alle verdrukten verandere.
316Geeft sterken drank dengene, die verloren gaat, en wijn dengenen, die bitterlijk bedroefd van ziel zijn;
317Dat hij drinke, en zijn armoede vergete, en zijner moeite niet meer gedenke.
318Open uw mond voor den stomme, voor de rechtzaak van allen, die omkomen zouden.
319Open uw mond; oordeel gerechtelijk, en doe den verdrukte en nooddruftige recht.
3110Aleph. Wie zal een deugdelijke huisvrouw vinden? Want haar waardij is verre boven de robijnen.
3111Beth. Het hart haars heren vertrouwt op haar, zodat hem geen goed zal ontbreken.
3112Gimel. Zij doet hem goed en geen kwaad, al de dagen haars levens.
3113Daleth. Zij zoekt wol en vlas, en werkt met lust harer handen.
3114He. Zij is als de schepen eens koopmans; zij doet haar brood van verre komen.
3115Vau. En zij staat op, als het nog nacht is, en geeft haar huis spijze, en haar dienstmaagden het bescheiden deel.
3116Zain. Zij denkt om een akker, en krijgt hem; van de vrucht harer handen plant zij een wijngaard.
3117Cheth. Zij gordt haar lenden met kracht, en zij versterkt haar armen.
3118Teth. Zij smaakt, dat haar koophandel goed is; haar lamp gaat des nachts niet uit.
3119Jod. Zij steekt haar handen uit naar de spil, en haar handpalmen vatten den spinrok.
3120Caph. Zij breidt haar handpalm uit tot den ellendige; en zij steekt haar handen uit tot den nooddruftige.
3121Lamed. Zij vreest voor haar huis niet vanwege de sneeuw; want haar ganse huis is met dubbele klederen gekleed.
3122Mem. Zij maakt voor zich tapijtsieraad; haar kleding is fijn linnen en purper.
3123Nun. Haar man is bekend in de poorten, als hij zit met de oudsten des lands.
3124Samech. Zij maakt fijn lijnwaad en verkoopt het; en zij levert den koopman gordelen.
3125Ain. Sterkte en heerlijkheid zijn haar kleding; en zij lacht over den nakomenden dag.
3126Pe. Zij doet haar mond open met wijsheid; en op haar tong is leer der goeddadigheid.
3127Tsade. Zij beschouwt de gangen van haar huis; en het brood der luiheid eet zij niet.
3128Koph. Haar kinderen staan op, en roemen haar welgelukzalig; ook haar man, en hij prijst haar, zeggende:
3129Resch. Vele dochteren hebben deugdelijke gehandeld; maar gij gaat die allen te boven.
3130Schin. De bevalligheid is bedrog, en de schoonheid ijdelheid; maar een vrouw, die den HEERE vreest, die zal geprezen worden.
3131Thau. Geef haar van de vrucht harer handen, en laat haar werken haar prijzen in de poorten.